Toespraak CdK Johan Remkes bij het uitreiken van de Anne Vondelingprijs 2020

Uitgesproken op 23 juni 2021 in NieuwspoortAllereerst wil ik natuurlijk Marc Chavannes van harte geluk wensen als prijswinnaar 2020 voor zijn bijdragen aan het internet platform De Correspondent. Hij is recidivist want ook al in 2004 won hij de prijs, toen voor zijn bijdragen aan NRC Handelsblad over de amerikaanse presidentsverkiezingen. De jury zal het ongetwijfeld ook bedoeld hebben als waardering voor zijn totale werk. Ik wil mij bij die waardering graag aansluiten, zonder het overigens altijd in alle opzichten met de inhoud van zijn journalistieke arbeid eens te zijn.

‘’De pers (in de aller ruimste zin) is veruit het belangrijkste verkeersmiddel tussen de regering en de burgers en daarmee tegelijkertijd de onmisbare medewerker van de parlementariër. Die twee kunnen elkaar niet missen’’. Zo schreef Anne Vondeling in 1976 in ‘Tweede kamer: Lam of leeuw’ (p.70). Ik zeg hem dat nu – 45 jaar later – graag na.

We moeten echter tegelijkertijd constateren dat zich sindsdien een aantal ontwikkelingen hebben voltrokken die van grote invloed zijn geweest op het medialandschap.

  1. De verschraling van het aanbod, met name ook regionaal, als gevolg van ander lees-, kijk- en luistergedrag.
  2. De exponentiële toename van het gebruik van sociale media, waarbij beeld, geluid en tekst snel en vaak volstrekt onvoorspelbaar tot ons komen. Mensen als brengers van nieuws, met vaak gemakkelijke opinies en beeldmateriaal.
  3. Instituties die hun gezaghebbende positie in snel tempo ondermijnd zagen. Tot die instituties kunnen ook de traditionele media gerekend worden. De krant als ‘’meneer’’ bestaat niet meer en een opvatting van een gezaghebbend instituut is ‘’ook maar een mening’’. Ik kom daar aan het slot van mijn verhaal nog even op terug.

Naar mijn bescheiden mening past daar vanuit de traditionele media maar één antwoord op: nog beter presteren. Met hoogwaardige berichtgeving , met pluriformiteit , met goede zorgvuldige onderzoeksjournalistiek. Vooral niet met meer hijgerigheid en het makkelijk overnemen van zogenaamde trending topics in de sociale media. Juist dat zijn ‘’vaak maar meningen’’ die niets met zorgvuldige op feiten gebaseerde journalistiek te maken hebben. Evenmin vaak met breed onder de bevolking gedeelde opvattingen.

De vraag die  – met name de publieke omroep, gelet op hun publieke journalistieke verantwoordelijkheid – , maar eigenlijk alle media zichzelf moeten stellen is de berichtgeving over de corona crisis. Aan de Hilversumse praattafels zagen we het afgelopen jaar reeksen virologen, immunologen en zichzelf benoemde communicatie deskundigen voorbij trekken. Vaak was echter die ene spraakmakende mening de volgende dag alweer achterhaald, doorgeprikt. Zeker, ook de crisisaanpak en de bestrijding van het virus verdienen een kritische beschouwing en als er verschillende gezaghebbende medische opvattingen zijn moet dat worden belicht. Aan die criteria werd echter niet echt vaak voldaan.

Als ik het over ondermijning van de gezaghebbende instituten heb, heb ik het ook over de Tweede Kamer. Daar heeft men overigens wat mijn betreft met name op 1 april zelf een stevige bijdrage aan geleverd. Een dieptepunt in de naoorlogse parlementaire geschiedenis. Veel Kamerleden gaven er blijk van geen notie te hebben van bevoegdheden en rollen van de verschillende spelers in ons staatsrechtelijk bestel, evenmin van enig historisch politiek en bestuurlijk besef. Ik heb mij ook niet aan de indruk kunnen onttrekken dat in dit debat veel frustratie boven kwam over de verkiezingsuitslag en een door Corona in het water gevallen verkiezingscampagne. Alle pijlen gingen naar de winnaar van de verkiezingen, die niet – deels door eigen schuld – in de meest comfortabele positie verkeerde. Alle pijlen op een niet bestaande ‘’Rutte-doctrine’’ terwijl het in de kabinetten Kok en Balkenende niet anders was, behalve het maandag overleg in het Kabinet Rutte III.

Geen misverstand: er zijn stevige fouten gemaakt door de lijsttrekker van de VVD, ook de huidige Minister President, tezamen met de ‘verkenners’. Ook geen misverstand: de toeslagenaffaire is een stevig schandaal, waar vele lessen uit te trekken zijn in termen van wetgeving, uitvoering van beleid, parlementaire controle en parlementaire informatievoorziening. Een belangrijke weeffout in het parlementaire onderzoek was het buiten beschouwing laten van de rol van de Tweede Kamer en Eerste Kamer zelf. Die weeffout wordt terecht hersteld door de uitvoering van een volwaardige parlementaire enquête.

Na het 1 april debat werd ‘’een nieuwe bestuurscultuur’’ de bezweringsformule die ook de formatie weer nieuw leven in moest blazen. In Limburg waar de verschillende statenleden er op 2 en 9 april blijk van gaven goed naar het Kamerdebat van 1 april te hebben gekeken en geluisterd is dat op dit moment ook een gevleugelde formule geworden. Wie echter vraagt wat daar nu precies onder moet worden verstaan, krijgt in Den Haag en Maastricht hele verschillende antwoorden: het is een container begrip. Wat mij betreft gaat het om een aantal elementen:

  1. De wijze waarop de overheid met burgers omgaat; ook de staatscommissie parlementair stelsel stond daar uitvoerig bij stil. Datzelfde deed, met name gericht op de gebrekkige uitvoering van beleid Herman Tjeenk Willink in ‘’groter denken, kleiner doen’’, waarin hij, en niet voor het eerst, het belang van een sterke democratische rechtsorde benadrukt
  2. In Limburg is de focus – begrijpelijk – primair gericht op de integriteit van het bestuur en van individuele bestuurders.
  3. In meer algemene zin worden er ook de heersende omgangsvormen in een politiek systeem onder verstaan: rolvastheid van bestuur en volksvertegenwoordiging, mate van duale verhoudingen, gericht op brede consensus of op politieke strijd, macht en tegenmacht.

In essentie schreef ook Anne Vondeling in1976 natuurlijk al over deze onderwerpen. Het zou goed zijn dit boekwerk ook nu nog onderdeel te laten zijn van de verplichte literatuur voor nieuwe Tweede Kamerleden. Hij wees al op het belang van het respecteren van elkaars mening en een open parlementaire gedachten wisseling met ruimte voor het elkaar overtuigen: “Daarom kan democratie nooit het recht van de meerderheid zijn. Ook andersom niet” (pag. 86)

Waar het gaat om de inlichtingenplicht valt het volgende citaat op te tekenen: “en dan mogen de uitvoerende machten zich bij een weigering niet te gauw beroepen op strijdigheid met het staatsbelang”(pag.70) Ook de commissie Biesheuvel ging al in 1971 op dat vraagstuk in.

Bij het aanhoren van een aantal Kamerdebatten over “de bestuurscultuur” heb ik regelmatig moeten terugdenken aan de briefing die de commissie Parlementair Stelsel begin 2019 aan de vaste Kamercommissie BZK heeft gegeven, naar aanleiding van de publicatie van ons eindrapport in december 2018. Toen heb ik er op gewezen dat voor een aantal aanbevelingen (aanpassing (grond) wetgeving) het Kabinet aan de bal is. Dat echter voor een groot aantal onderwerpen ook de Kamer zelf aan de bal moet.

Met name hoofdstuk 7 “Een sterk parlement” uit “Lage drempels, hoge dijken” bevat aanbevelingen voor het parlement zelf.

Zo wordt de vinger gelegd bij:

  • de te geringe aandacht voor kwaliteit, handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid van wetgeving;
  • de neiging tot “meeregeren” door de Tweede Kamer;
  • de te sterk monistische verhoudingen tussen kabinet en Kamermeerderheid;
  • de steeds kortere parlementaire ervaring en dus ook een slinkend parlementair geheugen.

De staatscommissie kwam met een aantal voorstellen:

  • vaker parlementair onderzoek om maatschappelijke problemen en de effecten van wetgeving (vooraf en achteraf) in kaart te brengen;
  • het commissiestelsel te versterken;
  • regeerakkoorden op hoofdlijnen, ik ben zeer benieuwd naar het nieuwe regeerakkoord waarvan de steigers nog niet zichtbaar zijn;
  • de wetgevende taak te intensiveren
  • het actualiseren van de “oekaze Kok” waar het gaat om de toegang tot departementale informatie;
  • het uitwerken van de inlichtingenplicht – art 68 GW – in een protocol. De Rijksoverheid loopt hier achter bij provincies en gemeenten waar de actieve informatieplicht is geregeld in provincie – en gemeentewet.

Dat laatste lijkt mij ook van groter belang dan het vrijgeven van agenda’s van de M.R. en het mailverkeer tussen ambtenaren. Dit alles leidt natuurlijk tot ander gedrag, niet tot een andere werkelijkheid. Waar het in de kern om moet gaan is parlementaire inzichtelijkheid, in overwogen beleidsopties en de gehanteerde argumentatie om ergens voor of tegen te kiezen.

Met die aanbevelingen had de Kamer dus zelf aan de slag gekund, maar het bleef in veel opzichten oorverdovend stil. Dit klemt te meer, omdat ongeveer 12 jaar geleden in het proces van parlementaire zelfreflectie, waarvan dacht ik uw voorzitter nog aan de wieg stond, in een aantal opzichten al vergelijkbare aanbevelingen werden gedaan.

Het zal u dan ook niet verbazen dat bij mij, na vele vrome woorden van Tweede Kamerleden, de vraag boven kwam: ‘’waar was u eigenlijk de afgelopen jaren’’. Bij anderen de vraag: “U was er de afgelopen jaren toch zelf bij, als er weer op maandag in coalitieverband werd voorvergaderd”.

Naast een noodzakelijk herijking van enkele onderdelen van wat bestuurscultuur wordt genoemd, is wat mij betreft ook bovenal een herijking van de parlementaire cultuur nodig, met een aantal van de genoemde elementen.

In dat licht behoeft ook de instrumentele kant aandacht, waarbij ook primair gekeken moet worden naar versterking van de griffie (wetgeving, onderzoek, commissiebestel). Versterking van Kamerfracties en Kamerleden is wat mij betreft daaraan ondergeschikt en zal zich met name moeten concentreren op ondersteuning van burgercontacten, ook regionaal (volksvertegenwoordiger). Als dit zou leiden tot het stellen van meer schriftelijke vragen, waarvan de steller niet wezenlijk op het antwoord zit te wachten, dient het geen enkel parlementair doel.

Als het gaat om de afnemende parlementaire ervaring dienen politieke partijen, de mijne incluis, zo snel mogelijk de mallotige regel van maximaal 2, hooguit 3 parlementaire zittingstermijnen te schrappen. Natuurlijk is doorstroming en geleidelijke vernieuwing belangrijk, maar deze regels zijn alleen maar behulpzaam voor partijbestuurders die op kwalitatieve gronden geen “nee” durven te verkopen.

Natuurlijk weet ik ook wel dat de volatiliteit onder de kiezers een belangrijke oorzaak is van de teruglopende gemiddelde parlementaire zittingsduur. Maar in de kern gaat het mij om de onderkenning dat onafhankelijkheid, ervaring en parlementair geheugen broodnodige eigenschappen zijn om als parlementariër effectief te kunnen acteren.  Je kunt het parlement beter bewerktuigen, maar heb niet de illusie dat je het parlement daarmee “tussen de oren” ook beter laat functioneren. Om Vondeling weer te citeren “dat velen wellicht twee dingen door elkaar halen als zij oordelen: namelijk invloed hebben en invloed gebruiken”(p. 182)

Wat geldt voor de maximale zittingstermijnen voor Kamerleden, geldt wat mij betreft ook voor de ijzeren ABD-regel van maximaal zeven jaar voor topambtenaren. In de praktijk leidt dat ook hier tot een veel kortere termijn omdat mensen natuurlijk al eerder “om zich heen gaan kijken”. Ook de prijswinnaar van vandaag heeft daar de vinger bijgelegd. De kwaliteit van de rijksdienst is daar niet mee gediend.

Een steeds actueler onderwerp van discussie is ook het grote aantal fracties, straks negentien. Bij dat vraagstuk heeft de staatscommissie uitvoerig stilgestaan.

Wij hebben zeer weloverwogen gekozen voor handhaving van het ook door de bevolking gewaardeerde stelsel van evenredige vertegenwoordiging. Daarin passen geen vormen van districtenstelsels of kiesdrempels, die ook niet helpen tegen afsplitsingen. De prijs is dat bij de huidige parlementaire versnippering minder krachtig tegenspel kan worden geboden aan de regering.

Naast bewerktuiging tussen lijkt mij daarom bijvoorbeeld samenwerking tussen fracties (rapporteurs) en een andere verdeling van de spreektijden onontkoombaar.

Ten slotte. In zijn recente eindverslag sprak Herman Tjeenk Willink ook de journalistiek toe (“deel van het probleem”). Frits van Exter stak in dat verband in de VK van 8 mei de hand in de journalistieke boezem over o.a. journalisten die aanschuiven bij de praattafels en de talkshows. Hij waarschuwt terecht voor het ontstaan van zodanige beeldvorming dat de journalistieke onafhankelijkheid wordt ondergraven.

Aan de andere kant hebben een paar vasthoudende journalisten met een paar vasthoudende Kamerleden een stevige rol gespeeld bij het ontmantelen van de toeslagenaffaire.

Het kan dus wel, als elkaars onafhankelijke ‘medewerkers’!

 

 

 

Juryrapport Anne Vondelingprijs en Saskia Stuivelingprijs over 2020

Uitgesproken op 23 juni 2021 in perscentrum Nieuwspoort in Den Haag door Mark Kranenburg, voorzitter van de jury van de Anne Vondeling- en de Saskia Stuivelingprijs.

Het jaar 2020, het jaar waarover deze prijs voor politieke journalistiek gaat, lijkt een eeuwigheid geleden. Want wat is er niet alleen al in de politiek gebeurd sinds dat jaar 2020 bijna zes maanden geleden in coronamalaise werd afgesloten. Daarna viel een kabinet, waren er verkiezingen, er was een ongekend stormachtig begin van de kabinetsformatie die eigenlijk nog steeds in de oriëntatiefase zit,  nieuwe partijschisma’s volgden waardoor het aantal fracties in de Tweede Kamer op achttien, misschien wel negentien als we de aangekondigde Groep Omtzigt meetellen, is gekomen. Kortom, 2020: waar hebben we het over?

Maar aan de andere kant lijkt 2020 nog maar net geleden. Het allesoverheersende coronavirus dat in 2020 opkwam en de wereld op zijn kop zette, bepaalt – hoewel gelukkig steeds minder – nog altijd het leven. Maar daardoor is het ook alsof de tijd heeft stil gestaan. Corona met al zijn beperkende maatregelen heeft het gevoel voor tijd weggenomen is vaak te horen. Was het gisteren of eergisteren, was het nu vorige week of twee weken geleden? Dat is begrijpelijk. Als de wereld voor velen wordt verengd tot een beeldscherm met louter pratende dan wel luisterende hoofden en dat vaak de hele dag door, beneemt dat het perspectief. Zicht op de tijd dus.

De nog altijd onwezenlijke situatie weerspiegelt zich in de opzet van deze bijeenkomt. Net als vorig jaar mag hier maar een beperkt aantal mensen aanwezig zijn en zijn we dus aangewezen op het streamen van deze gebeurtenis.

Praten over en terugblikken op 2020 is op dit moment nog eens extra vervreemdend nu er volop wordt getimmerd aan een kabinet dat voor de komende jaren het beleid gaat bepalen. Aan de andere kant: hoe spannend of urgent het heden ook is, voor reflectie en terugkijken moet altijd ruimte zijn. Kijken naar wat er nog meer is. Kijken waar het vandaan komt. Weten we echt alles? Of zoals de naamgever van deze prijs, Anne Vondeling het in 1976 in zijn boek ‘Tweede Kamer: Lam of Leeuw’ stelde: ,,Omdat niemand van ons de wijsheid in pacht heeft, is het aan de democratie eigen naar keuzemogelijkheden te zoeken. Een parlementaire democratie geeft in beginsel ruimte aan de andere oplossing.’’

Keuzes schetsen en keuzes maken. Het is de basis van politiek. Politici leggen ze voor, journalisten geven ze weer. Maar meer dan dat. De goede journalist is niet alleen een doorgeefluik maar voorziet de keuzes van context: waar komen ze vandaan, waarom zijn ze gemaakt, waar zitten de haken en ogen?  Met andere woorden: de journalist zorgt voor het complete verhaal en context.

Dat is dan ook de achtergrond van de Anne Vondelingprijs die al sinds 1980 jaarlijks wordt uitgereikt. Omdat volgens de in 1979 overleden politicus Vondeling goede journalistiek onontbeerlijk is in een democratie. Een stelling die met de aanhoudende berichten over dictatoriale regimes die jagen op journalisten haar juistheid haast dagelijks bewijst.

Goede politieke journalistiek. Daar gaat het bij de Vondelingprijs om. Daarbij laat de jury zich bij de voor de prijs voorgedragen stukken traditiegetrouw leiden door de volgende criteria: er is sprake van in heldere en begrijpelijke taal gegeven inzicht in de politieke gang van zaken, reflectie op het politieke bedrijf, stilistische kwaliteit, vernieuwend genre, een ander licht op de politieke actualiteit en een kritische observatie over het politieke systeem.

Ook in coronajaar 2020 werd er weer zeer veel over politiek geschreven. Er was dan ook veel aan hand. Maar de jury heeft tot haar spijt moeten constateren dat het aantal inzendingen niet overhield om het voorzichtig uit te drukken. Dan gaat het dus niet om de kwaliteit, maar om de kwantiteit. Om het in moderne termen te zeggen: wil men niet meer geliket worden? Hoe staat het bij de hoofdredacties die herhaaldelijk werden opgeroepen om stukken in te sturen? Is er geen trots meer over hun producties?

Hetzelfde geldt trouwens voor de inzendingen voor de in 2017 in het leven geroepen Saskia Stuivelingprijs. Dit is de aanmoedigingsprijs voor regionale politieke journalistiek of innovatieve journalistieke projecten met aandacht voor politiek. De jury heeft dan ook helaas moeten besluiten deze prijs dit jaar niet uit te reiken.

Vanwege het beperkt aantal inzendingen voor de Vondelingprijs  heeft de jury dit jaar gebruik gemaakt, beter gezegd gebruik móeten maken van haar recht zelf op zoek te gaan naar stukken die in aanmerking zouden kunnen komen. En toen was er opeens heel veel.

Want het was voor de politieke journalistiek een jaar waardoor hun werkveld een bijzondere dimensie kreeg. De Tweede Kamer, de Eerste Kamer, politieke partijen, het kabinet vergaderde anders dan anders. Kamerleden werden thuiswerkers. Journalisten werden thuiswerkers. Een zeer belangrijk element van de politieke verslaggeving bestond daardoor niet meer. Want hoe kan iemand de ‘wilde beestenlucht’ zoals deze ooit door Hans van Mierlo treffend werd omschreven ruiken als hij de stal niet meer in kan? De jury heeft geconstateerd dat de politieke journalistiek ondanks de beperkingen er toch nog op bewonderenswaardige manier wat van heeft weten te maken.

De coronacrisis en de aanpak ervan heeft op diverse plekken het falen van het bestuurlijk en politiek systeem blootgelegd. Wat dat betreft werkte corona als contrastvloeistof voor de samenleving, zoals in het begin van de crisis is opgemerkt. Met het beeld van de röntgenplaat komen we dan bij de Anne Vondelingprijs voor het jaar 2020. Want ook in dat jaar toonde journalist Marc Chavannes zich de geneeskundige die met zijn journalistieke röntgenapparatuur haarfijn de vinger op de gevoelige zo niet rotte plek wist te leggen. Hij deed dat in zijn  politiek dagboek voor het internetplatform de Correspondent op de voor hem bekende wijze: haarscherp zonder cynisch te worden, sterk analyserend, in beeldend taalgebruik, soms met humor, en met gevoel voor democratische spelregels en historie.

Dat laatste is niet vreemd voor iemand die eind jaren zeventig al voor het eerst verslag deed van het Binnenhof als politiek redacteur voor NRC Handelsblad. Maar het knappe van de nu 74-jarige Chavannes is dat hij geen vermoeidheid uitstraalt of een houding aanneemt het allemaal al eens gezien te hebben of te hebben opgeschreven. Hij kan terugvallen op kennis van zaken en decennialange ervaring en die gebruikt hij volop. Daardoor stralen zijn stukken gezag uit. Zo bezien is Marc Chavannes voor de politieke journalistiek wat Herman Tjeenk Willink is voor het openbaar bestuur.

Niet voor niets ontving hij al eerder de Anne Vondelingprijs. Dat was in 2004. Maar die ging toen over de stukken die hij als correspondent voor NRC Handelsblad in de Verenigde Staten over de Amerikaanse presidentsverkiezingen schreef. Chavannes is nu eenmaal een alleskunner.

Zijn stukken over binnenlandse politiek kennen een grote mate van constantheid. Hij schrijft vaak dat het collectieve politieke geheugen verdwijnt in Den Haag. Dat geldt voor politici zelf, voor ambtenaren, maar ook voor journalisten. Chavannes zorgt er voor dat hij zelf dat geheugen kan zijn. Terugkerende observaties in de stukken van Chavannes zijn de negatieve kanten van de introductie van het marktdenken in de publieke dienstverlening, het bezuinigingsfetisjisme, het sollen door de overheid met de regels van de rechtsstaat, de management- en doorstroomcultuur in de ambtelijke top waar zoals hij schreef, ,,deskundigheid nog net geen reden is voor ontslag is’’.

Hij heeft het allemaal zien gebeuren en hekelt de politieke verbazing als zaken uit de hand blijken te zijn gelopen. Genadeloos houdt hij dan politici de spiegel voor. Bijvoorbeeld eind vorig jaar na de verhoren van de parlementaire ondervragingscommissie kinderopvangtoeslag toen Chavannes in de Correspondent noteerde: ,,De hoge mode van new public management  heeft de laatste dertig jaar bezit genomen van bestuurlijk Nederland. Het algemeen belang als leidend beginsel en het welzijn van de burger als centrale opdracht raakten op de achtergrond binnen de als bedrijf bestuurde overheid. Wie klaagt dat ‘de menselijke maat’ in al die uitvoeringsorganisaties zoek is geraakt, heeft niet opgelet. Dat was hun opdracht.’’

In het bijzonder was de jury onder de indruk van het stuk dat Chavannes op 25 juni 2020 schreef waarin hij de coronawet met zijn vele ondemocratische elementen fileerde. ,,Een wet waar Viktor Orbán graag voor zou tekenen’’, oordeelde hij. En ook hier weer de lange lijn naar de historie. Want dat de Tweede Kamer zo tam reageerde kwam volgens hem doordat de ,,kabinetten Rutte het parlement structureel en systematisch op achterstand hebben gezet door hun grondwettelijke informatieplicht te verzaken.’’

Dat Chavannes schrijft voor een betrekkelijk jong en innovatief medium als de Correspondent toont zijn flexibiliteit van geest. Bij de Correspondent is hij voor zijn veelal aanzienlijk jongere collega’s  vraagbaak, inspirator en criticaster. Ook die houding heeft de jury van de Anne Vondelingprijs met het toekennen van de prijs voor 2020 aan Marc Chavannes willen belonen.

 

Petra de Koning (NRC Handelsblad) wint de Vondelingprijs 2019

De Anne Vondeling Prijs 2019 is toegekend aan Petra de Koning, redacteur van NRC Handelsblad, voor haar politieke journalistieke werk in het afgelopen jaar.

De jury prijst De Koning voor het consistent hoge niveau van haar artikelen, reportages en interviews. Ze combineert inzicht in het politieke proces aan vasthoudendheid, kennis van zaken aan originaliteit, scherpte aan onafhankelijkheid. Haar stukken zijn gezaghebbend, kritisch en informatief, ze bieden een trefzekere blik op de binnenkamers van de Haagse politiek.

Bijzondere aandacht trokken het afgelopen jaar een interview met voormalig FvD-voorman Henk Otten (samen met collega Philip de Witt Wijnen van NRC Handelsblad), een reportage over premier Rutte in de week waarin de Provinciale Statenverkiezingen en de tramaanslag in Utrecht plaats vonden, en een longread waarin Janine Hennis, VN-vertegenwoordiger in Irak, een jaar lang gevolgd werd.

Dit zijn voorbeelden van de journalistieke werkwijze van Petra de Koning. Ze neemt tijd om een politicus te portretteren of een onderwerp uit te diepen. Naast deze slow political journalism toont Petra de Koning met haar bijdragen aan ‘Haagse Zaken’, de politieke podcast van NRC Handelsblad, gevoel te hebben voor online vormen van journalistieke presentatie.

Menno van den Bos (Vrij Nederland) wint de Saskia J Stuivelingprijs 2019

Tevens kent de jury de Saskia J Stuivelingprijs toe aan freelance journalist Menno van den Bos voor zijn reportage over lokale politiek en journalistiek in Almere.
Hij beschrijft in dit artikel, dat is verschenen in Vrij Nederland, de teloorgang van de lokale journalistiek in wat (naar inwoneraantal) de achtste stad van Nederland is. Almere noemt hij een ‘journalistieke Bermudadriekhoek’, waarin initiatieven voor lokale journalistiek verdwijnen. Publieke controle op de lokale politiek is hierdoor nagenoeg afwezig.

Met de toekenning van de Saskia Stuivelingprijs deelt de jury de zorgen die er bestaan over de precaire positie van lokale en regionale media. De jury acht het van belang dat Van den Bos hieraan aandacht schenkt.

Menno van den Bos behoort tot de groeiende groep van jonge freelancers voor wie het beroepsperspectief onzeker is, zeker in de huidige periode van de coronacrisis. Dit is een aanvullende reden voor de jury om hem als vertegenwoordiger van zijn journalistieke generatiegenoten deze aanmoedigingsprijs toe te kennen.

Uitreiking

Als uitvloeisel van de beperkingen in verband met de coronacrisis vindt de uitreiking van de Anne Vondelingprijs en Saskia Stuivelingprijs dit jaar plaats op 8 juli 2020 in Perscentrum Nieuwspoort in Den Haag.
Onder voorbehoud van de regels voor pubieksbijeenkomsten die dan gelden zal de prijsuitreiking plaats vinden om 17.00 uur. Inloop vanaf 16.00 uur.

Winnie Sorgdrager, voormalig minister van Justitie, lid van de Eerste Kamer namens D66 en lid van de Raad van State, zal de winnaars toespreken en beide prijzen uitreiken.

De Vondelingprijs is vernoemd naar voormalig politicus en oud-voorzitter van de Tweede Kamer Anne Vondeling (1916-1979). Vondeling werd onder meer bekend door zijn strijd tegen de verloedering van de Nederlandse taal. De prijs wordt sinds 1981 jaarlijks kort voor de zomervakantie uitgereikt. Inzendingen worden door de jury beoordeeld op een kritische visie op de politiek en op het op heldere en toegankelijke wijze verklaren van politieke vraagstukken.

De Saskia J Stuivelingprijs is vernoemd naar de in 2017 overleden oud-president van de Algemene Rekenkamer en oud-voorzitter van de Anne Vondelingstichting Saskia Stuiveling. De prijs is bedoeld voor de stimulering van innovatieve, jonge of regionale journalisten die veelal buiten het blikveld van de landelijke media blijven.

De jury van de Anne Vondeling Prijs bestaat uit Roel Janssen (financieel-economisch journalist, auteur), Bert van den Braak (bijzonder hoogleraar parlementaire geschiedenis aan de universiteit van Maastricht en verbonden aan het Montesquieu Instituut), Clairy Polak (journalist, presentator van tv- en radioprogramma’s), Sywert van Lienden (bestuursadviseur en ondernemer) en Sharon Gesthuizen (bestuurder en zelfstandig ondernemer, oud-lid van de Tweede Kamer). Querine Hoejenbos is secretaris van de jury.

Milena Holdert (Nieuwsuur) en Ghassan Dahhan (Trouw) winnen de Vondelingprijs 2018

De Anne Vondeling Prijs 2018 is toegekend aan Milena Holdert en Ghassan Dahhan voor hun televisie- en krantenserie over de steun van de Nederlandse overheid aan Syrische strijdgroepen.
De serie is een gezamenlijk project van het televisieprogramma Nieuwsuur en dagblad Trouw.

De jury prijst Holdert en Dahhan voor de kwaliteit van hun artikelen/uitzendingen, en ook voor de samenwerking tussen redacteuren van een krant en een tv-programma. In de ‘Syrië-serie’ heeft dit unieke producties opgeleverd, waarbij de multimediale mogelijkheden van tekst, beeld, geluid en vormgeving ten volle zijn gebruikt.
De Syrië-serie betreft de geheime levering van ‘niet-dodelijke steun’ door Nederland aan Syrische strijdgroepen tussen 2015 en 2018 ter waarde van omstreeks 28 miljoen euro. De onthullingen hierover hebben grote politieke en ambtelijke impact in Den Haag gehad. Daarnaast heeft de jury bewondering voor de journalistieke inzet bij het uitdiepen van dit complexe dossier. Nationale veiligheid, staatsgeheimen en de ondoorzichtige oorlogssituatie in Syrië maken gedegen journalistiek onderzoek buitengewoon lastig. Met grote volharding, en met steun van hun redacties, hebben Milena Holdert en Ghassan Dahhan zich op hun onderwerp gestort. Ook hiervoor verdienen ze de Anne Vondelingprijs 2018.

Jan van de Streek wint de Saskia J Stuivelingprijs 2018

Tevens kent de jury de Saskia J Stuivelingprijs toe aan Jan van de Streek, hoogleraar Fiscaal concernrecht aan de Universiteit van Amsterdam. Van de Streek heeft nauw samengewerkt met redacteuren van uiteenlopende media bij de berichtgeving over de voorgenomen afschaffing van de dividendbelasting, het meest omstreden politieke onderwerp van het kabinet Rutte III in het afgelopen jaar. Ook heeft hij in 2018 onder eigen naam artikelen over de dividendbelasting geschreven voor Follow The Money, Trouw, Het Financieele Dagblad en het Weekblad Fiscaal Recht, en heeft hij de redactie van Nieuwsuur over dit onderwerp bijgestaan.
Het onderzoek van Van de Streek naar de memo’s over de dividendbelasting heeft een innovatieve bijdrage geleverd aan de verslaggeving over dit onderwerp. De toekenning van de prijs aan een journalistieke buitenstander is dan ook een blijk van erkenning voor de sleutelrol die deskundige bronnen voor journalisten spelen bij primeurs, duiding en verdieping van het politieke nieuws.

Uitreiking

De uitreiking van de Anne Vondelingprijs en Saskia Stuivelingprijs vindt plaats op woensdag 26 juni 2019 om 17.00 uur in de Noenzaal van de Eerste Kamer der Staten-Generaal. Inloop vanaf 16.30 uur.

Ben Knapen, fractieleider van het CDA in de Senaat, oud-staatssecretaris van Buitenlandse Zaken en oud-hoofdredacteur van NRC Handelsblad, zal de winnaars toespreken en beide prijzen uitreiken.

Het is verplicht om bij binnenkomst van het Eerste Kamergebouw een ID te tonen (voor parlementaire journalisten: een Kamerpas is niet voldoende).

De Vondelingprijs is vernoemd naar voormalig politicus en oud-voorzitter van de Tweede Kamer Anne Vondeling (1916-1979). Vondeling werd onder meer bekend door zijn strijd tegen de verloedering van de Nederlandse taal. De prijs wordt sinds 1981 jaarlijks kort voor de zomervakantie uitgereikt. Inzendingen worden door de jury beoordeeld op een kritische visie op de politiek en op het op heldere en toegankelijke wijze verklaren van politieke vraagstukken.

De Saskia J Stuivelingprijs is vernoemd naar de in 2017 overleden oud-president van de Algemene Rekenkamer en oud-voorzitter van de Anne Vondelingstichting Saskia Stuiveling. De prijs is bedoeld voor de stimulering van innovatieve, jonge of regionale journalisten die veelal buiten het blikveld van de landelijke media blijven.

De jury van de Anne Vondeling Prijs bestaat uit Roel Janssen (voorzitter; financieel-economisch journalist, auteur), Bert van den Braak (bijzonder hoogleraar parlementaire geschiedenis aan de universiteit van Maastricht en verbonden aan het Montesquieu Instituut), Sascha de Boer (fotograaf en voormalig presentator van het NOS-journaal), Sywert van Lienden (politiek activist en lobbyist) en Sharon Gesthuizen (voorzitter van de Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang en oud-lid van de Tweede Kamer voor de SP). Querine Hoejenbos is secretaris van de jury.

Kim van Keken en Eric Smit (Follow the Money) winnen de Vondelingprijs 2017

De Anne Vondeling Prijs 2017 is toegekend aan Kim van Keken
en Eric Smit voor hun artikelenserie ‘De Zaak Henry Keizer’ die
is verschenen op het online nieuwsplatform Follow the Money. De jury roemt Van Keken en Smit voor hun onthullingen en
vasthoudendheid. Als hedendaagse Woodward en Bernstein
hebben ze zich vastgebeten in de Keizer-affaire. Ze hebben een
indrukwekkende serie artikelen geproduceerd, die een
onthutsende inkijk oplevert in de interne dynamiek van de
grootste politieke partij van het land. Hun serie luidde de val in
van Keizer als partijvoorzitter van de VVD.

Van Keken en Smit schrijven niet voor een invloedrijke krant,
zoals Woodward en Bernstein deden voor The Washington
Post, maar voor een online elektronisch platform voor
onderzoeksjournalistiek, Follow the Money. De nasleep van hun
artikelen toont aan dat online journalistiek inmiddels evenveel
invloed kan hebben als de traditionele media.

De prijsuitreiking van de Anne Vondelingprijs vindt plaats op
woensdag 27 juni 2018 om 17.00 uur in de Noenzaal van de
Eerste Kamer der Staten-Generaal. De laureaten worden
toegesproken door oud-minister van OCW, Jet Bussemaker.

De Vondelingprijs is vernoemd naar voormalig politicus en oud-
voorzitter van de Tweede Kamer Anne Vondeling (1916-1979).
Vondeling werd onder meer bekend door zijn strijd tegen de
verloedering van de Nederlandse taal. De prijs wordt sinds
1981 jaarlijks kort voor de zomervakantie uitgereikt.

Inzendingen worden door de jury beoordeeld op een kritische
visie op de politiek en op het op heldere en toegankelijke wijze
verklaren van politieke vraagstukken.

De jury van de Anne Vondeling Prijs bestaat uit Roel Janssen
(voorzitter; financieel-economisch journalist, auteur), Bert van
den Braak (verbonden aan het Montesquieu Instituut en het
Parlementair Documentatie Centrum), Sacha de Boer
(fotograaf en voormalig presentator van het NOS-journaal),
Sywert van Lienden (politiek activist en lobbyist) en Sharon
Gesthuizen (oud-lid van de Tweede Kamer voor de SP). Roel
Praat (oud-journalist en oud-directeur van de Algemene
Rekenkamer) is secretaris van de jury.

In Memoriam Saskia J Stuiveling

Op 20 april 2017 overleed, volkomen onverwacht, de voorzitter van het bestuur van de Stichting Anne Vondelingprijs, Saskia J Stuiveling. De overige bestuursleden en de leden van de jury hebben hiervan geschokt kennis genomen.

Saskia Stuiveling heeft zich sinds 2008 als voorzitter ingezet voor de waardering van het gebruik van heldere taal door de op de politiek gerichte media. Dat deed zij naast een druk sociaal en professioneel bestaan, onder meer als president van de Algemene Rekenkamer. Mede vanuit die hoedanigheid wist zij elk jaar een spreker van politiek formaat bereid te vinden de Anne Vondelingprijs uit te reiken. In de bijna tien jaar als voorzitter heeft zij er onder meer voor gezorgd de prijs bereikbaar te maken voor vertegenwoordigers van de zogeheten nieuwe media. Daarnaast was zij er voorstander van de democratisch-socialistische oorsprong van de prijs – net als Anne Vondeling was zij prominent lid van de PvdA – naar het verleden te verwijzen. Het ging haar niet om haar partij, maar om goed taalgebruik.

Verschillende leden van het bestuur en de jury waren aanwezig bij de
herdenkingsbijeenkomst voor Saskia Stuiveling op 28 april 2017 in haar geliefde woonplaats Rotterdam.

Tijdens de uitreiking van de Anne Vondelingprijs 2016, op 28 juni 2017 in de Eerste Kamer, stond waarnemend voorzitter Simon van Driel stil bij het overlijden van onze voorzitter. Op die dag werd voor de eerste maal de aanmoedigingsprijs voor jong journalistiek talent toegekend. Deze prijs is genoemd naar Saskia Stuiveling. De winnares van deze prijs was Saskia van Westhreenen, Haags redacteur van de
Leeuwarder Courant.

Marc Peeperkorn (De Volkskrant) wint Anne Vondelingprijs 2016

Aanmoedigingsprijs voor Saskia van Westhreenen (Leeuwarder Courant)

De Anne Vondeling Prijs 2016 is dit jaar toegekend aan Marc Peeperkorn, de Brusselse correspondent van de Volkskrant. Peeperkorn krijgt de prijs over zijn in het oog springende artikelen over de verwevenheid van nationale en Europese politiek. Daarbij zijn de jury van de Stichting Anne Vondeling Prijs in het bijzonder zijn artikelen opgevallen over twee cruciale thema’s die het afgelopen jaar in de Nederlandse politiek een grote rol hebben gespeeld: de vluchtelingencrisis en het Oekraïne referendum. Ze vormen voorbeelden van de jarenlange hoogwaardige berichtgeving uit Brussel door Marc Peeperkorn.

Het bestuur van de Stichting Anne Vondeling Prijs had eerder al besloten tot de instelling van een aanmoedigingsprijs voor jong talent of een regionale, politieke journalist. Het heeft voorts recent besloten deze prijs, die verbonden is aan de Anne Vondeling Prijs, te vernoemen naar de zeer recent plotseling overleden voorzitter van de stichting Saskia Stuiveling.

De Saskia Stuiveling Aanmoedigingsprijs, verbonden aan de Stichting Anne Vondeling Prijs wordt dit jaar voor het eerst toegekend en wel aan Saskia van Westhreenen, Haags redacteur van de Leeuwarder Courant. Van Westhreenen schrijft over de landelijke politiek zonder de regionale -Friese- invalshoek uit het oog te verliezen. Uit haar artikelen blijkt dat ze de meest uiteenlopende vormen van de dagbladjournalistiek beheerst: van interviews en reconstructies tot commentaren.

De Vondelingprijs is vernoemd naar voormalig politicus en oud-voorzitter van de Tweede Kamer Anne Vondeling (1916-1979). Vondeling werd onder meer bekend door zijn strijd tegen de verloedering van de Nederlandse taal. De prijs wordt sinds 1981 jaarlijks kort voor de zomervakantie uitgereikt. Inzendingen worden door de jury beoordeeld op een kritische visie op de politiek en op het op heldere en toegankelijke wijze verklaren van politieke vraagstukken.

De jury van de Anne Vondeling Prijs bestaat uit Roel Janssen (voorzitter; financieel-economisch journalist, auteur), Carla van Baalen (hoogleraar parlementaire geschiedenis), Sascha de Boer (fotograaf en voormalig presentator van het NOS journaal), Sywert van Lienden (politiek activist en lobbyist) en Jan Schinkelshoek (voormalig hoofdredacteur van de Haagse Courant en oud-lid van de Tweede Kamer). Roel Praat (oud journalist en oud directeur van de Rekenkamer) is secretaris van de jury.

De prijsuitreikingen, door de oud-voorzitter van de fractie van de ChristenUnie in de Tweede Kamer, de heer Arie Slob, zijn op woensdag 28 juni 2017 om 17.00 uur in de Noenzaal van de Eerste Kamer.

In Memoriam Marten den Uyl

In Memoriam

Marten J. den Uyl
30 augustus 1951 – 6 december 2016

Bij onze laatste bestuursvergadering vorig najaar meldde Marten zich af omdat hij ziek was. Dat was zeer ongebruikelijk, want Marten was zeer verbonden met onze prijs en liet geen vergadering of prijsuitreiking verstek gaan. Bijna dertig jaar heeft hij als bestuurslid – waarvan ook enkele jaren als voorzitter- zich met enthousiasme ingezet voor het belang van deze prijs. Onafhankelijke en kwalitatief goede en goed geformuleerde politieke journalistiek – hij was een toegewijde waakhond van deze waakhond van de macht.

De twee à drie keer per jaar dat we elkaar ontmoetten waren ook inspirerend. Je kon met Marten de wereld en omstreken even doornemen en genieten van zijn milde maar scherpe en altijd goed geïnformeerde kijk op maatschappelijke ontwikkelingen. En van zijn onversneden, bijna Brits gevoel voor humor. Een heerlijk mens, die ook wij voortaan moeten missen.

Wij zullen vol inzet doorgaan in zijn geest.

Het bestuur van de Anne Vondelingprijs mede namens de jury

Henk Bakker, secretaris
Simon van Driel
Saskia J Stuiveling, voorzitter
Roos M den Uyl
Jonathan Vondeling, penningmeester
Yvonne Zonderop