2019: Speech Menno van den Bos (Saskia Stuivelingprijs)

Veel dank aan de jury voor deze Saskia Stuiveling. Echt een grote eer, niet in de laatste plaats om de naam die erop staat: Saskia Stuiveling, iemand wier carrière in de politiek en met name bij de Algemene Rekenkamer in het teken stond van het nastreven van transparantie. Daar wil je als journalist wel mee geassocieerd worden.

Veel dank ook aan het team van VN: Ward, Marleen, Sam, Lou-Anna, Guido, Hans en Denise. En ten slotte, maar zeker niet ten minste, dank aan het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten. Dankzij de subsidie die aanvroeg bij en ontving van het Fonds BJP, kon ik dit onderzoek doen zonder over geld te hoeven piekeren.

Want u moet zich voorstellen, en dit is een beetje waar het gezellige deel van deze toespraak ophoudt: als freelance journalist weet je meestal vooraf wat je voor een klus krijgt. Dat betekent dus dat hoe meer tijd je erin stopt, hoe langer je aan het onderzoeken, interviewen bent, hoe meer je uurloon in elkaar zakt.

Maar goed, daarvan had ik nu dus geen last. Ruim een maand kon ik onbekommerd aan slow journalism doen. Onderwerp was, u hoorde het net, de verhouding tussen politiek en pers in Almere. Die verhouding is vrij eenvoudig samen te vatten. Tegenover honderden ambtenaren, raadsleden en wethouders staan precies twee lokale journalisten die zich een groot deel van hun week op controle van de lokale macht storten. Natuurlijk zeggen dat soort absolute termen niet alles, maar het geeft een indicatie. Beiden zijn werkzaam bij de gratis weekkrant Almere Deze Week: het belangrijkste medium van een stad die bijna even groot is als Groningen.

Van tevoren wist ik al wel dat de situatie in Almere niet best was. Wat ik niet wist, is hoe sterk de macht zélf mediamaker is geworden. De burgemeester vlogt en de gemeente geeft zijn eigen nieuwskrantjes uit. De vraag komt in me op hoe Saskia Stuiveling daar als voorstander van een transparante overheid naar had gekeken. Ik denk dat het goed is dat de politiek zich actief inzet om de burger te bereiken. Anderzijds is het een symptoom van een gebrek aan onafhankelijke berichtgeving.

Almere is steeds minder een uitzondering. In heel Nederland gaan lokale media kopje onder. Zo verdween afgelopen jaar in mijn eigen Amsterdam het gratis nieuwsblad De Echo. Grote uitgevers van lokale kranten, met name DPG Media, voegen uitgaven in nabijgelegen dorpen in hoog tempo samen tot één krant voor een grotere regio. Bij lokale omroepen gebeurt hetzelfde: zij moeten op veel plekken streekomroepen vormen.

Toen de Echo verdween, lichtte uitgever Mediahuis Nederland toe dat die beslissing een gevolg was van haar “strategie om focus aan te brengen op de sterke landelijke en regionale merken”. Einde citaat. Met andere woorden: de lokale laag van kranten op stads- en dorpsniveau wordt momenteel wegbezuinigd. Kennelijk ziet men alleen nog heil in nieuwsmedia die een groter gebied bestrijken.

Met wat goede wil kun je daarin een parallel zien met een heel andere hoek van de journalistiek. Buitenlandcorrespondenten moeten vanuit Paramaribo of Warschau heel Latijns-Amerika of Oost-Europa ‘doen’. Onlangs nog stond in een grote krant een vacature waarin gevraagd werd om een correspondent met als standplaats Rome, die daarvandaan over Italië, Griekenland én de Balkan moest schrijven. Zo worden de werkgebieden van correspondenten steeds meer tot abstracte landmassa’s uitgerekt.

Zo zijn er zowel in de Nederlandse regio als in verre uithoeken steeds minder stipjes op de kaart die op de aanwezigheid van journalisten duiden.

In deze situatie zijn freelancers onmisbaar. Waren freelance journalisten vroeger de schil rond een stevige vaste redactie, nu kennen steeds meer redacties van met name lokale media maar één of enkele vaste werknemers, rompredacties, zoals het met een morbide woord heet. Dankzij de freelancende voetsoldaten weten nieuwsmedia de haarvaten van de samenleving nog enigszins te vinden. Dat correspondentschap in Rome? Geen vaste job, maar een freelancefunctie.

Mijn ‘soort’ draagt dus steeds meer verantwoordelijkheid. Gelukkig staat daar een hoop tegenover. De grote vraag naar onze diensten creëert gouden tijden. Ter compensatie van onze bestaansonzekerheid rijzen de freelancetarieven de pan uit. Als we ‘s nachts wakker liggen van de stress, doen we dat gelukkig wel op een matras vol knisperende bankbiljetten.

…Nee dus.

De tarieven zijn dramatisch laag, iedereen weet het inmiddels wel. Uit onderzoek bleek dat de betaling per woord bij de grote kranten en bladen al twintig jaar niet omhoog is gegaan en bij veel media zelfs gedaald – terwijl de inflatie in diezelfde periode gewoon doorsteeg. Bij de regionale en lokale edities zijn de vergoedingen het laagst. Vraag je deze media waarom dit zo is, dan spreken ze van een “competitieve markt” waarin ze nu eenmaal op de kleintjes moeten letten.

Het leidt tot een situatie waarin de praktijk van de gemiddelde van noodverband aan elkaar hangt. De een schrijft bedrijfsteksten voor banken of verzekeraars, die drie keer zo goed betalen. De ander bespaart door op kamers te blijven wonen. Weer een ander schrijft doktersromannetjes in de avonduren.

We krijgen tegenwoordig zelfs hulp collega’s in vaste dienst. Zo werden onlangs op de redacties van onder andere het AD inzamelingsacties gehouden voor freelancers. Het geld kwam uit het deel van de jaarlijkse bedrijfswinst die deze vaste medewerkers hadden ontvangen.

Ook vragen freelancers subsidies aan bij het FBJP en andere fondsen, die steeds talrijker worden. Voor de duidelijkheid: ik ben daar blij mee. Zonder die subsidie had ik hier immers niet gestaan.

Maar het is ook een beetje als de Voedselbank. Goed dat het bestaat, maar eigenlijk zou het niet nodig moeten zijn.

En het wrange is: dat is het ook eigenlijk niet. Veel nieuwsmedia zijn hartstikke gezond. Hoofdredacteuren en CEO’s van grote uitgevers vertellen maar wat graag over de groeiende omzetcijfers en digitale terreinwinst van hun concerns. Stoer vertellen ze dat journalistiek die zij exploiteren een wapen tegen nepnieuws vormen. En hoe nodig we dat hebben, in deze tijden.

Inderdaad maakt kwaliteitsjournalistiek laatste jaren een herwaardering door, waardoor de bereidheid om te betalen voor digitaal nieuws bij de consument stijgt. Reden tot blijdschap. 

Toch heb ik wat vragen.

Hoe geloofwaardig is dat verhaal over nepnieuws als je eigen freelancers door lage tarieven gedwongen zijn om haastwerk te leveren, met mogelijke fouten tot gevolg?

Hoe is die omzetgroei te rijmen met het feit dat onder zo veel artikelen de zin staat: Deze productie is mogelijk gemaakt door het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten?

Wat zijn mooie jaarcijfers waard als er een inzamelingsactie nodig is om freelancers te laten meedelen? Als zelfs de correspondent in Rome geen contract krijgt? En hoe vallen ze te rijmen met het argument dat de tarieven niet omhoog kunnen omdat het zo’n competitieve markt is?

Natuurlijk. Mediabedrijven hebben ook gewoon een winstoogmerk. Maar, beste CEO’s van Nederland: u kunt niet van twee walletjes eten. Óf u investeert consequent in uw journalisten, óf u laat de vrome praat achterwege.

Goed, dat is uit m’n systeem.

Nog even terug naar Almere. Een van mijn laatste interviews was met raadslid en ex-journalist Frits Huis. We spraken af in een grand café. Met veel smaak diste hij anekdotes op over de tijd dat hij redacteur was bij De Telegraaf. De chardonnay ging er goed in, net als de bittergarnituur. En ergens tussen zijn tweede en derde glas merkte hij op dat hij de journalisten van nu een soort helden vond. Haast verbaasd stelde hij vast dat er kennelijk nog steeds jonge mensen waren die voor dit onderbetaalde bestaan kiezen. En dan hadden ze ook nog eens interesse in Almere… Na afloop van het interview stond hij erop de rekening te betalen.

Ik ben geen held, tenminste niet een die telt. Ik ben geen oorlogsjournalist aan de frontlinie, geen Bas Haan die schandalen bij de overheid onthult, geen Petra de Koning die met haar pen diep in het harde hout van de politiek boort. Ik doe alleen maar m’n best te blijven staan.

Daarbij helpt elk blijk van waardering, met als ultiem voorbeeld daarvan deze Saskia Stuivelingprijs. Een prijs die ik, zoals de jury al benadrukte, aanneem namens mijn generatie van jonge (nou ja, relatief jonge) freelance journalisten. Een generatie die vaak veel te bescheiden is. En dus ga ik hier maar niet bescheiden doen. En laat ik mijn trots de vrije loop, want iedereen die het maar horen wil mag zien dat freelance journalistiek het verdient om beloond te worden.